Les 5: Koreaanse Vervoeging: Verleden tijd, Tegenwoordige Tijd, Toekomstige Tijd

Deze les is ook beschikbaar in Español, Français, Русский en Português

 

Woordenschat

De woordenschat van onze lessen wordt, voor het gemak, verdeeld in zelfstandig naamwoorden, werkwoorden, bijvoeglijk naamwoorden en bijwoorden.

Zelfstandig Naamwoorden:
동생 = jongere broer/zus
남동생 = jongere broer, broertje
여동생 = jongere zus, zusje
= oudere broer (als de spreker een man is)
오빠 = oudere broer (als de spreker een vrouw is)
누나 = oudere zus (als de spreker een man is)
언니 = oudere zus (als de spreker een vrouw is
삼촌 = oom
이모 = tante (aan de moeders kant)
고모 = tante (aan de vaders kant)
아저씨  = oudere man die geen familie van je is
아주머니 = oudere vrouw die geen familie van je is
할아버지 = grootvader
할머니 = grootmoeder
친구 = vriend/vriendin (niet op romantische wijze)
사진 = foto
안경 = bril
비밀 = geheim
= regen
가게 = winkel
박물관 = museum
가스 레인지 = fornuis (gas range in het Engels)
오리 = eend
꼬리 = staart
= bal

Werkwoorden
기대하다 = verwachten
건너다 = oversteken (een weg, etc)
던지다 = gooien
싫어하다 = niet leuk vinden
떠나다 = ergens weggaan
농담하다 = grap maken
공부하다 = studeren

Bijvoeglijk Naamwoorden:
지루하다 = saai zijn
마르다 = dun zijn (voor een persoon)
멀다 = ver weg zijn
마르다 = droog zijn
비슷하다 = overeenkomstig zijn
싫다 = niet goed zijn
오래되다 = oud zijn (een object) (omschrijft dat iets lang heeft bestaan)
배고프다 = honger hebben

Bijwoorden en Andere Woorden:
오늘 = vandaag
어제 = gisteren
내일 = morgen
모레 = overmorgen
= jaar
= dag
시간 = tijd

Dagen van de Week:
월요일 = maandag
화요일 = dinsdag
수요일 = woensdag
목요일 = donderdag
금요일 = vrijdag
토요일 = zaterdag
일요일 = zondag

Als je Engels goed is, kun je deze woorden leren met onze Memrise tool.

 

 

 

Hoe zeg je “ik” en “mij” in het Koreaans

Als eerste wil ik je het verschil tussen “ik” en “mij” in het Nederlands uitleggen. Dit was iets dat ik nooit wist totdat ik Koreaans begon te leren. Als je een vreemde taal leert, zal je ook je moedertaal verbeteren en andere talen die je kent beter begrijpen. In het Nederlands hebben “ik” en “mij” dezelfde betekenis, maar ze worden op een verschillende manier gebruikt. Als de spreker het onderwerp van de zin is, gebruik je “ik”. Als de spreker het lijdend voorwerp is (of iets anders), gebruik je “mij”. Bijvoorbeeld:

Ik hou van jou (“Ik” is het onderwerp)
Jij houdt van mij (“mij” is het lijdend voorwerp)

In het Koreaans heb je dit niet, je gebruikt namelijk hetzelfde wordt voor “ik” en “mij”. Het woord blijft hetzelfde, onafhankelijk of het een onderwerp of lijdend voorwerp is. Wat je wel goed moet weten is dat het onderscheid in de verschillende partikelen zit.

Hoewel het Koreaanse woord voor “ik/mij” niet veranderd als het om zijn positie in de zin gaat, verandert het wel als het om de beleefdheid van een zin gaat. Bijvoorbeeld:

저 betekent “ik/mij” en wordt gebruikt in formele situaties
나 betekent “ik/mij” en wordt gebruikt in informele situaties

~는 kun je achter 저 of 나 zetten om aan te geven dat “ik” het onderwerp van de zin is. Bijvoorbeeld:
저는
나는
(Ik geef expres geen voorbeeldzinnen omdat je de juiste vervoegingen nog niet weet. Je zal eindelijk over vervoegingen leren in deze les)

~를 kun je achter 저 of 나 om aan te geven dat “ik” het lijdend voorwerp van de zin is. Bijvoorbeeld:
저를
나를
(Ik geef expres geen voorbeeldzinnen omdat je de juiste vervoegingen nog niet weet. Je zal eindelijk over vervoegingen leren in deze les)

~가 kun je achter 저 en 나 zetten om te laten zien dat “ik” het onderwerp van een zin van clausule is. Ik heb al kort het verschil tussen ~이/가 en ~은/는 in Les 2 uitgelegd. Het verschil tussen deze partikelen is erg verfijnd en het duurt jaren om deze volledig te bemachtigen. In Les 17 en Les 24 ga ik nog een keer in op deze verschillen, maar momenteel is het niet zo belangrijk. Wat wel belangrijk is, is dat je weet dat als ~가 achter 나 staat, het veranderd naar 내. En 저 veranderd naar 제.

내가
제가
(Ik geef expres geen voorbeeldzinnen omdat je de juiste vervoegingen nog niet weet. Je zal eindelijk over vervoegingen leren in deze les)

In de rest van deze les zijn alle zinnen vervoegd op een informele manier. Daarom zul je de informele “나” of “내” in de voorbeeldzinnen zien. In deze les hoef je je geen zorgen te maken over de beleefdheid, maar focus op de stof die wordt gegeven. In de volgende les zal je wel leren over formele en informele spraak en zal je “저” en “제” zien.

 

 

 

Hoe zeg je “jij”

Misschien is het je opgevallen dat ik je nog steeds niet één van de meestgebruikte woorden heb geleerd in de Nederlandse taal. Ik weet dat dit raar klinkt, maar het woordje ‘jij’ wordt niet vaak in het Koreaans gezegd. Koreanen hebben verschillende manieren om ‘jij’ te vermijden:

  1. In de meeste gevallen gebruik je iemands positie (meestal baan) als je het over ze hebt of naar ze verwijst. Bijvoorbeeld, baas (부장님), directeur (교장선생님), vicedirecteur (교감선생님), Mr. Naam (voor een leraar) (Name선생님), klant (고객님), gast (손님), 회장님/사장님 (president/directeur van een bedrijf).
  2. Het komt vaak voor dat Koreanen met iemand waar ze close mee zijn hun eigen familie noemen. Bijvoorbeeld, 오빠 betekent “oudere broer” (als je een vrouw bent). Maar zelfs als iemand niet je oudere broer is, kun je hem nog steeds “오빠” noemen als je close met hem bent.
  3. Meestal kun je elke vrouw of man die er erg oud ziet “grootmoeder” en “grootvader” noemen (할머니/할아버지). Maar afgezien van dat, noem je niemand anders echt familie behalve als je close bent.
  4. In het algemeen kun je elke man of vrouw die je niet kent ‘아저씨’ (man) en ‘아주머니’ (vrouw).
  5. In informele situaties, kun je het woord “너” gebruiken. ~는 en ~를 kun je achter “너” zetten als het het onderwerp of het lijdend voorwerp in de zin is. Respectievelijk, als je ~가 achter ~너 zet, verandert het in “네가”. Om de uitspraak van “네가” en “내가” te onderscheiden (die technisch gezien hetzelfde uitgesproken moeten worden), spreek je “네가” als “nie-ga” uit.
  6. Je kunt ook “당신” gebruiken, wat voor “jij” staat. Je kunt dit woord gebruiken voor iedereen, maar Koreanen zelf gebruiken dit amper. De meeste mensen zullen zeggen dat ‘당신’ alleen gebruikt wordt door buitenlanders, en dan alleen omdat ze zo gewend zijn om “jij” te zeggen in een zin.

 

 

 

Basis Vervoeging: Verleden Tijd, Tegenwoordige Tijd, Toekomstige Tijd

Zoals ik in alle voorgaande lessen al heb gezegd – elke zin dat je tot nu toe hebt geleerd is niet vervoegd. Deze zinnen zullen nooit echt in het Koreaans worden gebruikt om diezelfde reden. Ik vond het namelijk belangrijker dat je eerst leerde over de basis zinsstructuur voordat je met vervoegingen begint. Het goede nieuws is dat vervoegingen in het Koreaans veel makkelijker zijn dan in andere talen (inclusief Nederlands en vooral Frans!).

 

 

Een belangrijke opmerking voordat je begint

In deze les zal je over het vervoegen van verleden/tegenwoordige/toekomstige werkwoorden leren op de allersimpelste manier. Hoewel al deze zinnen grammatisch correct zijn, worden ze bijna nooit in conversatie gebruikt. Deze vorm wordt ook weleens “dagboek vorm” genoemd, omdat ze meestal worden gebruikt als je naar jezelf schrijft in je dagboek. Het komt ook voor in schrijftoetsen, boeken (niet in dialoog), verslagen, krant en magazine artikelen en elders wanneer iemand niet spreekt of schrijf naar een specifiek publiek. Het wordt ook wel de “vlakke vorm” genoemd.

Als je deze vorm in een zin gebruikt zou je de informele “나” gebruiken, omdat deze vervoeging ook wordt gezien als informeel. Daarom zal je in deze les de “나” zien voor “ik”. Maar, zoals ik al eerder zei, deze vervoegde vorm wordt ook gebruikt in print (boeken, kranten, artikelen, etc…). Als het op deze manier wordt gedaan, is de zin noch formeel noch informeel – omdat het alleen feiten geven en omdat er geen specifiek persoon de spreker is en er tegen niemand wordt gesproken. Daarom zie je niet vaak de ik-vorm, “저” of “나”, in deze vormen in het Koreaans en je hoeft ze niet te zien als formeel of informeel.

Het is echter wel mogelijk om deze “dagboekvorm” in conversatie te gebruiken, maar er is een grotere kans dat je een vervoeging hoort die je leert in de volgende les. Hoewel de dagboekvorm niet vaak wordt gebruikt in conversatie, is de vervoeging ontzettend belangrijk als je ingewikkelde Koreaanse grammatica in print wilt begrijpen. Voor de belangrijkste vervoegingen in conversatie moet je nog even wachten tot de volgende les, maar ik raad je van harte aan om wat er in deze les gegeven wordt als eerste te leren.

Er is maar een klein gedeelte van Koreaanse spraak dat vervoegd wordt, en dat zijn de werkwoorden en bijvoeglijk naamwoorden (en 이다). Zoals je weet, moet elke zin eindigen op een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of 이다.

Zo, laten we nu kijken hoe je werkwoorden en bijvoeglijk naamwoorden moet vervoegen naar het verleden, de tegenwoordige tijd en de toekomst.

 

 

 

Werkwoorden
Tegenwoordige Tijd

Als het laatste blok van de stam op een medeklinker eindigt, voeg je ~는다 aan de stam van het woord toe:

먹다 = 먹는다 = eten (먹 + 는다)
닫다 = 닫는다 = dichtdoen (닫 + 는다)

Voorbeelden:

나는 문을 닫는다 = Ik doe de deur dicht
나는 밥을 먹는다 = Ik eet rijst

Als het laatste blok van de stam op een klinker eindigt, voeg je ~ㄴ gevolgd door 다 aan de stam van het woord toe:

배우다 = 배운다 = leren (배우 + ㄴ다)
이해하다 = 이해한다 = begrijpen (이해하 + ㄴ다)
가다 = 간다 = gaan (가 + ㄴ다)

Voorbeelden:
나는 친구를 만난다 = Ik ontmoet een vriend
나는 그것을 이해한다 = Ik begrijp dat
나는 한국어를 배운다 = Ik leer Koreaans
나는 집에 간다 = Ik ga naar huis

 

 

Verleden Tijd

Je moet nog iets belangrijks weten voordat je het onderstaande leert: de Koreaanse grammatica is gebaseerd op dingen die je direct achter werkwoorden of bijvoeglijk naamwoorden zet om een betekenis te creëren. Een voorbeeld hiervan heb je hierboven al gezien hoe je ~는다 of ~ㄴ다 aan de stam van een werkwoord zet om het in de tegenwoordige tijd te vervoegen.

Er zijn honderden grammaticale grondbeginselen (niet alleen vervoegingen, maar ook grondbeginselen die echte betekenis aan zinnen geven) die je maakt door iets aan de stam van werkwoorden of bijvoeglijk naamwoorden toe te voegen. Je zult deze leren als je door onze lessen heengaat. Hieronder staat een korte lijst met van die toevoegingen:

  • ~기 om een zelfstandig naamwoord in de vorm van een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord te creëren (Les 29)
  • ~아/어서 om reden te geven (Les 37)
  • ~(으)시 om een eerbiedige midden persoon aan te duiden (Les 39)
  • ~(으)세요 om een bevel te geven (Les 40)
  • ~자 om een suggestie te geven (Les 44)
  • ~아/어야 하다 om aan te geven dat iemand iets moet doen (Les 46)
  • ~ㄴ/는다고 om iemand te citeren (Les 52)

Deze lijst zou voor eeuwig kunnen blijven doorgaan.

Zie je hoe sommige van deze grondbeginselen een toevoeging van “~아/어” nodig hebben? Veel grammaticale grondbeginselen (of vervoegingen, of iets anders) hebben de toevoeging van “~아/어” aan de stam van een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord nodig. Deze “slash” betekent dat je moet kiezen welke je moet gebruiken. In sommige gevallen gebruik je “~아” en in andere “~어.” De volgende regel moet je gebruiken om tussen de twee te bepalen:

  • Als de laatste klinker van de stamㅏ of ㅗ is (waaronder zeldzame gevallen waar de laatste klinkerㅑ of ㅛ is), voeg je ~아 toe gevolgd door de rest van het grammaticale grondbeginsel. (De enige uitzondering is “”. Als dit het laatste blok van de stam is, moet je ~ toevoegen gevolgd door de rest van het grondbeginsel in plaats van ~아.)
  • Als de laatste klinker van de stam iets anders is danㅏ of ㅗ, moet je daar ~어 aan toevoegen gevolgd door het grammaticale grondbeginsel.

Als we in de verleden tijd vervoegen, moet je “~았/었다” aan de stam van een woord voegen (of 였다 in het geval van 였다). We doen hier hetzelfde als de regel hierboven, ~았다 hoort bij woorden waar de laatste klinker ㅗ ofㅏ is en ~었다 hoort bij alle andere klinkers. Als laatste heb je nog ~였다, die je aan woorden toevoegt waar het laatste blok “하” is. Bijvoorbeeld:

나는 밥을 먹다 = Ik eet rijst (deze zin is onvervoegd)
De laatste klinker van de stam is ㅓ. Dus nietㅏ of ㅗ. We voegen 었다 toe aan de stam:
나는 밥을 먹었다 = Ik at rijst (먹 + 었다)

나는 문을 닫다 = Ik doe de deur dicht (deze zin is onvervoegd)
De laatste klinker van de stam is ㅏ. We voegen 았다 toe aan de stam:
나는 문을 닫았다 = Ik deed de deur dicht (닫 + 았다)

나는 창문을 열다 = Ik doe het raam open (deze zin is onvervoegd)
De laatste klinker van de stam is ㅕ. Dus niet ㅏ of ㅗ. We voegen 었다 toe aan de stam:
나는 창문을 열었다 = Ik deed het raam open (열 + 었다)

나는 한국어를 공부하다 = Ik studeer Koreaans (deze zin is onvervoegd)
De laatste klinker van de stam is “하”. We voegen dus ~였다 toe aan de stam:
나는 한국어를 공부하였다 = Ik studeerde Koreaans (공부하 + 였다)

Wat het moeilijk maakt (in het begin), is dat werkwoorden waarvan het laatste blok op een klinker eindigt (waaronder 하다), de ~았다/었다 samengesmolten kan worden met de stam. Dit is hoe ~아 en ~어 samensmelten met blokken die eindigen op een klinker:

  • 아 + 아 = 아 (voorbeeld: 가 + 았다 = 갔다)
  • 오 + 아 = 와 (voorbeeld: 오+ 았다 = 왔다)
  • 우 + 어 = 워 (voorbeeld 배우+ 었다 = 배웠다)
  • 이 + 어 = 여 (voorbeeld: 끼+ 었다 = 꼈다)
  • 어 + 어 = 어 (voorbeeld: 나서 + 었다 = 나섰다)
  • 여 + 어 = 여 (voorbeeld 켜다 + 었다 = 켰다)
  • 하 + 여 = 해 (voorbeeld: 공부하다 + 였다 = 공부했다)
  • Hoewel 하 + 여 als “” kan worden geschreven, zijn er ook bepaalde situaties (meestal in officiële documenten) waar “하여” in plaats van “” wordt gebruikt:
  • Woorden waar de laatste klinker “ㅡ” is (bijvoorbeeld: 잠그다) zijn ingewikkeld en zullen worden uitgelegd in Les 7.

Een vraag die ik vaak gesteld krijg is: “hoe smelt ik ~아/어 samen met moeilijke klinkers zoals ㅠ, ㅑ, ㅔ, etc…?”
Ten eerste zijn er niet veel woorden waar de stam van een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord op een moeilijke klinker eindigt. De meestgebruikte woorden die dit hebben waar ik nu aan kan denken zijn:

바래다 (vervagen)
매다 (vastknopen)
메다 (opdoen/iets dragen op iemands schouder)

Ten tweede worden bij deze woorden (en soortgelijken) dezelfde regels als bovenstaand gebruikt. We weten dat de laatste klinker niet op een ㅏ of ㅗ eindigt, dus je moet “어” gebruiken en wat je daar nog aan toevoegt. Met dit soort klinkers maakt het niet uit of je de stam samensmelt of niet, beide vormen (samengesmolten of niet) zijn dus correct.

Bijvoorbeeld:

바래 + 었다 = 바랬다 of 바래었다
매다 + 었다 = 맸다 of 매었다
메다 + 었다 = 멨다 of 메었다

Hier zijn wat meer gedetailleerde voorbeelden:

가다 = gaan
De laatste klinker van de stam isㅏ. We voegen dus 았다 toe aan de stam.
나는 박물관에 가았다
Maar, de stam eindigt op een klinker, dus 았다 kan samengesmolten worden met 가:
나는 박물관에 갔다 = Ik ging naar het museum

오다 = komen
De laatste klinker van de stam is ㅗ. We voegen dus 았다 toe aan de stam.
삼촌은 가게에 오았다
Maar, de stam eindigt op een klinker, dus 았다 kan samengesmolten worden met 오:
삼촌은 가게에 왔다 = (Mijn) oom ging naar de winkel

배우다 = leren
De laatste klinker van de stam is ㅜ. We voegen dus 었다 toe aan de stam.
오빠는 영어를 배우었다
Maar, de stam eindigt op een klinker, dus 었다 kan samengesmolten worden met 우:
오빠는 영어를 배웠다 = (Mijn) oudere broer leerde Engels

던지다 = gooien
De laatste klinker van de stam is ㅣ. We voegen dus 었다 toe aan de stam.
나는 공을 던지었다
Maar, de stam eindigt op een klinker, dus 었다 kan samengesmolten worden met 지:
나는 공을 던졌다 = Ik gooide de bal

건너다 = oversteken
De laatste klinker van de stam is ㅓ. We voegen dus 었다 toe aan de stam.
나는 길을 건너었다
Maar, de stam eindigt op een klinker, dus 었다 kan samengesmolten worden met 너:
나는 길을 건넜다 = Ik stak de straat over

만나다 = ontmoeten
De laatste klinker van de stam is ㅏ. We voegen dus 았다 toe aan de stam.
나는 친구를 만나았다
Maar, de stam eindigt op een klinker, dus 았다 kan samengesmolten worden met 나:
나는 친구를 만났다 = Ik ontmoette vrienden

공부하다 = studeren
De laatste klinker van de stam is 하. We voegen dus 다 toe aan de stam.
나는 한국어를 공부하였다
Maar, 하 en 여 kunnen ook samensmelten en 해 maken:
나는 한국어를 공부했다 = Ik studeerde Koreaans

Toekomstige Tijd

De toekomstige tijd is makkelijk, je hoeft alleen maar “~겠다” aan de stam van een woord toe te voegen. Afwijkend van de verleden en tegenwoordige tijd, maar het niet uit of de stam op een klinker of medeklinker eindigt. Bijvoorbeeld:

나는 먹다 = Ik eet (onvervoegd)
나는 먹겠다 = Ik zal eten

나는 가다 = Ik ga (onvervoegd)
나는 가겠다 = Ik zal gaan

나는 배우다 = Ik leer (onvervoegd)
나는 배우겠다 = Ik zal leren

Er zijn twee werkwoorden die vaak in de toekomstige tijd worden vervoegd zonder echt de betekenis van de toekomstige tijd te hebben. Dit zijn 알다 (weten) en 모르다 (niet weten). Ik wil nu geen voorbeeldzinnen geven (omdat die nu nog te moeilijk voor je zullen zijn), maar het heeft wel zijn voordeel als jij onthoudt dat 알다 en 모르다 vaak vervoegd zijn naar 알다 of 모르다. Hoewel ze in deze vorm zijn vervoegd, zijn deze twee woordjes meestal gebruikt om aan te geven dat iemand iets weet/iets niet weet in de tegenwoordige tijd.

Onthoud ook dat het einde van de vervoeging afhankelijk is van de verschillende lagen van formeelheid dat je in de volgende les zal leren.

Hieronder staat een tabel van een overzicht van werkwoorden in de verleden, tegenwoordige en toekomstige tijd:

Werkwoord Stam Verleden tijd Tegenwoordige tijd Toekomstige tijd
먹다 먹었다 먹는다 먹겠다
닫다 닫았다 닫는다 닫겠다
배우다 배우 배웠다 배운다 배우겠다
가다 갔다 간다 가겠다
이해하다 이해하 이해했다 이해한다 이해하겠다
오다 왔다 온다 오겠다
던지다 던지 던졌다 던진다 던지겠다

Bijvoeglijk Naamwoorden
Tegenwoordige Tijd

Je hebt eerder geleerd dat je ~ㄴ/는다 aan een werkwoord moet toevoegen om het in de tegenwoordige tijd moet vervoegen. Om een bijvoeglijk naamwoord in deze vorm te zetten, hoef je helemaal niks te doen! Laat het bijvoeglijk naamwoord gewoon zoals het is, en het staat al in de tegenwoordige tijd. Een paar voorbeelden:

그 선생님은 아름답다 = die leraar is mooi
그 길은 길다 = die straat is lang
나의 손은 크다 = mijn hand is groot

 

Verleden Tijd

Om bijvoeglijk naamwoorden in de verleden tijd te zetten, moet je dezelfde regels volgen als je werkwoorden in de verleden tijd zet. Ik zal de regel nog een keer herhalen:

Je moet 았다 of 었다 aan de stam van een woord toevoegen. 았다 hoort bij woorden waar de laatste klinker een ㅗ of ㅏ is, en 었다 voeg je bij woorden toe waar de klinker iets anders is danㅏ of ㅗ. Bijvoorbeeld:

그 길은 길었다 = De straat was lang (길 + 었다)
그 음식은 맛있었다 = Dat eten was heerlijk (맛있 + 었다)
그 선생님은 좋았다 = Die leraar was goed (좋 + 았다)
그 식당이 오래되었다 = Dat restaurant is oud*** (오래되 + 었다)

De betekenis van “오래되다” is niet “oud” op een slechte, negatieve manier. Het geeft eerder aan dat iets voor een lange tijd heeft bestaan en nu “oud” is. Als je wilt zeggen dat iets “oud en vervallen” is, kun je beter “낡다” gebruiken. Maar haal dit niet door elkaar met “늙다”, wat staat voor een “oude” persoon.

Dit is nu misschien een beetje moeilijk voor je, maar je kunt met ~었다 plus , “되었다” maken, maar dit kun je ook inkorten. Dit is nu niet de focus van deze les, dus maak je hier nu nog geen zorgen om. In toekomstige lessen zul je meer over 되다 leren. In Les 9 en Les 14 komen we hierop terug.

Daarnaast wordt 되다 ook vaak gebruikt en vervoegd als een werkwoord, maar in dit geval is 오래되다 een bijvoeglijk naamwoord. Dit betekent dat [als toevoeging aan andere manieren om grammaticale grondbeginselen te gebruiken] je ~kunt toevoegen om het te omschrijven als een toekomstig zelfstandig naamwoord.

Bijvoorbeeld: 우리는 오래된 집에 갔다 = We gingen naar het oude huis

Net zoals met werkwoorden, kan ~았다/었다 met de stam samensmelten als de laatste letter van de stam een klinker is:

이것은 비쌌다 = Dit was duur (비싸 + 았다)
그 남자는 잘생겼다 = Die man was knap (잘생기 + 었다)
그 사람은 뚱뚱했다 = Die persoon was dik (뚱뚱하 + 였다)

 

 

Toekomstige Tijd

Bijvoeglijk naamwoorden in de toekomstige tijd zetten is hetzelfde als werkwoorden in de toekomstige tijd zetten, je hoeft alleen maar 겠다 achter de stam te plakken:

나는 행복하겠다 = Ik zal blij zijn
그것은 맛있겠다 = Dit (ding) zal heerlijk zijn
나는 배고프겠다 = Ik zal honger hebben

Afgezien dat deze simpele vorm amper in conversatie gebruikt worden, gebruiken Koreanen bijvoeglijk naamwoorden niet zo vaak in de toekomstige vorm als wij in het Nederlands doen.

Kijk naar onze tabel die een overzicht geeft van bijvoeglijk naamwoorden in de verleden, tegenwoordige en toekomstige tijd.

Bijvoeglijk Naamwoord Stam Verleden Tijd Tegenwoordige Tijd Toekomstige Tijd
행복하다 행복하 행복했다 행복하다 행복하겠다
비싸다 비싸 비쌌다 비싸다 비싸겠다
길다 길었다 길다 길겠다
맛있다 맛있 맛있었다 맛있다 맛있겠다
낡다 낡았다 낡다 낡겠다

 

 

 

있다 en 있다 Vervoegen

있다 is één van de meest ingewikkelde en veelzijdige woorden in het Koreaans en, helaas, ook één van de meestgebruikte woorden. Als men een andere taal leert, is het vaak moeilijk voor ze om de meestgebruikte woorden volledig te begrijpen. Bijvoorbeeld, in het Nederlands is “de/het” één van de meestvoorkomende woorden. Probeer de betekenis van deze lidwoorden maar aan een Koreaan te leren, en je zal zien dat het gebruik hiervan erg moeilijk is.

있다 kan een bijvoeglijk naamwoord zijn, maar het kan ook werkwoord zijn. Welke het is hangt af van hoe je het gebruikt.

있다 is een bijvoeglijk naamwoord als het gebruikt wordt om aan te geven dat iemand iets “heeft”. De onderstaande zinnen heb je in Les 2 geleerd:

나는 펜이 있다 = Ik heb een pen
나는 차가 있다 = Ik heb een auto
나는 가방이 있다 = Ik heb een tas

Omdat de 있다 in deze zinnen als bijvoeglijk naamwoord wordt gezien, gebruik je dezelfde regels als je een bijvoeglijk naamwoord in de tegenwoordige tijd zet – wat dus helemaal niets is en je het woordje gewoon laat staan zoals het is. Daarom zijn de drie bovenstaande zinnen helemaal goed vervoegd en grammatisch correct.

Als 있다 wordt gebruikt om aan te geven dat iemand “op/in” een locatie is, is het ook een bijvoeglijk naamwoord. Dit is ook weer iets dat heel moeilijk is om volledig door te hebben. Deze zinnen heb je in Les 2 geleerd:

나는 은행 안에 있다 = Ik ben binnenin de bank
개는 집 안에 있다 = De hond is in het huis
고양이는 의자 밑에 있다 = De kat is onder de stoel

Hier gebruik je nogmaals dezelfde regel omdat 있다 als bijvoeglijk naamwoord wordt gezien. De bovenstaande zinnen zijn in deze “dagboek vorm” ook goed vervoegd en grammatisch correct.

Maar, het gebruik van 있다 is nog veel ingewikkelder dan alleen deze twee betekenissen. 있다 heeft kun je in vele situaties gebruiken. Er zijn zelfs momenten dat 있다 als werkwoord wordt gezien. Nu heb je nog een te klein begrip van de Koreaanse taal om precies te weten hoe dit in elkaar zit. Maar wat ik wel wil dat je onthoud, is dat je weet dat 있다 ook een werkwoord kan zijn – en dus soms als werkwoord wordt vervoegd. Dus, hoewel de bovenstaande voorbeeldzinnen goed zijn vervoegd, zijn er ook tijden waar de goede vervoegingen van 있다 in de “dagboek vorm” 있는다 is.

있다 wordt als werkwoord gezien als een persoon (of dier) niet alleen “op/in” een locatie is, maar daar ook “blijft” voor een bepaalde periode. Het verschil tussen het bijvoeglijk naamwoord 있다 (dat iets/iemand op een locatie is) en het werkwoord 있다 (dat iemand op een locatie of staat blijft) is verwarrend.

Hieronder staan nog een paar (ingewikkelde) manieren waar 있다 als werkwoord wordt gezien. Momenteel hoef je deze absoluut nog niet te begrijpen en ik raad het je aan om deze pas je leren als je daadwerkelijk ook bij die les komt:

  • In Les 14 als ~아/어 있다 wordt gebruikt om de passieve/lijdende vorm van een werkwoord aan te geven
  • In Les 18 als ~고 있다 wordt gebruikt om aan te geven dat iemand door blijft gaan met iets doen
  • In Les 40 om iemand te vertellen dat ze op een locatie of staat moeten blijven
  • In Les 44 wanneer ~자 wordt gebruikt om een suggestie te maken om op een plek te blijven

Wow, dat was een heleboel grammatica. Dit allemaal begrijpen zal waarschijnlijk de moeilijkste stap zijn die je maakt in Koreaans leren, dat meen ik echt. Als je door deze les heen komt, kun je bijna alles aan wat hoe dan ook met deze grondbeginselen te maken heeft. Geef het niet op!

Oke, ik snap het! Neem me mee naar de volgende les! Of,
Klik hier voor een werkboek van deze les (Engels)